maandag 30 januari 2012

eindopdracht (position paper)

De mediator

Gedurende de cursus culturalisme is het me opgevallen dat hoe goed de bedoelingen bij verschillende architectuurprojecten over de wereld vaak ook zijn geweest, deze niet altijd de ‘juiste’ uitwerking hebben gehad. Door de geschiedenis heen hebben met name Westerlingen hun eigen waarheid over de wereld willen verspreiden, en in de moderne tijd met het idee van de voordelen van technologie en innovatie: betere, snellere, slimmere – en vaak goedkopere – producten. Deze waarheid werd gekenmerkt door het gebruik maken van methoden en het handelen vanuit rationaliteit.
Zo radicaal als de koloniën zijn gesticht, minstens zo invasief hebben de modernisten hun ideeën en visioenen over de wereld weten te verspreiden. Ze dachten dat door te bouwen over de hele wereld deze universalistische benadering succes zou hebben, en echt overal toepasbaar zou zijn. Onder andere in India en Afrika zijn echter tal van voorbeelden te vinden waar is gebleken dat per context, specifiek handelen nodig is. Vaak blijkt dat de modernistische aanpak op andere continenten veel aanzien heeft gekend, maar niet voldeed aan zijn eigenlijke intenties als sneller, slimmer en goedkoper. Een oorzaak hiervan is dat deze aanpak vaak kampte met een tekort aan acceptatie vanuit de lokale cultuur. Ook na het modernistische tijdperk, bleek het lastig om in volledige acceptatie van oplossingen in vreemde culturen te voorzien.
Het probleem van architectuur lijkt in deze gevallen te zijn geweest dat aan de uitgangspunten van Vitruvius – utilitas, firmitas en venustas (functionaliteit, degelijkheid en schoonheid) – nog twee uitgangspunten ontbraken, namelijk: duurzaamheid en culturele context. In dit betoog wil ik in gaan op de toevoeging van de culturele context. Door de toevoeging van de culturele context binnen architectuur zal de architect in de toekomst een andere rol krijgen. Deze zal niet langer als solo-ontwerper te boek staan waardoor de architect deel uit zal maken van een proces in plaats van hiervan het middelpunt te zijn.

Probleembepaling
Ten eerste wil ik de rol van de architect benoemen in het bepalen van een probleem of behoefte. De voorbeelden uit het modernistische tijdperk worden gekenmerkt door de universalistische manier van handelen die ervan uit gaat dat de stedenbouwkundige plannen of architectonische ontwerpen geschikt zijn als ze voldoen aan algemeen geldende normen en daarmee overal kunnen worden toegepast. Problemen en behoeften zijn daarentegen niet een standaard, eenvoudig te achterhalen gegeven. Per situatie, dus in verschillende omgevingen, gemeenschappen en culturen, zullen problemen en behoeften altijd verschillen, en vragen dus eerder naar een open werkwijze dan naar een universeel toepasbare werkwijze. Buiten dat beschikbare grondstoffen of bouwmaterialen per regio verschillen en er enorme klimaatverschillen per land bestaan, speelt de culturele context een uiterst belangrijke rol in het benoemen van een probleem.
Een architect zal nooit volledig in staat zijn de kern van een probleem te achterhalen, zonder de lokale context in de breedste zin van het woord hierin te betrekken. Daarnaast kan het voorkomen dat wat een probleem voor ‘ons’ is, niet perse voor ‘de anderen’ als een probleem wordt ervaren. Bij het stellen van prioriteiten moet de lokale bevolking op alle hiërarchische niveaus worden betrokken. Meer succesvol dan de universele benadering bij het vaststellen van problemen en prioriteiten, is een pluralistische aanpak, met een diversiteit aan betrokken actoren.

Acceptatie van een oplossing
Naast het benoemen van een probleem of behoefte, ligt het succes van een oplossing in de mate van acceptatie door de betrokkenen. In de nieuwe rol van de architect zal deze wellicht naar zijn idee hier moeten inleveren op zijn eigen kwaliteiten, maar door in dialoog te gaan over de behoefte zal vanzelf een vraag gecreëerd worden. Want de vraag is nu juist iets wat er vaak ontbreekt in andere culturen. Deze culturen kennen namelijk paradoxaal hun eigen waarheid die net als de westerse wereld rationeel is. Ook andere culturen, die volgens ons misschien dan hun oren sluiten voor onze oplossingen, bestaan ook al generaties of eeuwen lang. Samenwerking met betrokkenen zal dus nodig zijn voor acceptatie van de inbreng vanuit de architect. Dit argument pleit voor de creatie van een ‘win-win’ situatie, waarin mensen met normaal gesproken minder invloed nu juist het woord krijgen en waarbij de architect antwoord kan geven op de werkelijke vraag. Door aandacht te besteden aan de bestaande culturele context zal een nieuw idee eerder geaccepteerd worden.

Onderhoud van een toepassing
De duurzaamheid en vruchtbaarheid van een toepassing of idee, in dit geval binnen architectuur of stedenbouw, komt grotendeels voort uit de acceptatie ervan. Wanneer een pluralistisch aanpak wordt gehandhaafd, en niet alleen de architect het hoogste woord voert, wordt de kans op de houdbaarheid van een project sterk vergroot. Belangrijk hierbij is het verantwoordelijkheidsgevoel en/of eigendomsgevoel van de betrokkenen. Een goed voorbeeld hiervan is het Huruma sloppenwijk verbeteringsproject in Kenia. De lokale gemeenschap heeft door enkel begeleiding van architecten, zelf het hele plan bedacht. Door gebruik te maken van lokale bedrijven en door acceptatie op verschillende hiërarchische niveaus te creëren, heeft dit project voor zelfvoorzienendheid binnen de gemeenschap gezorgd. Een les uit het modernisme is dat wanneer het draagvlak ontbreekt een project of idee nooit lang kan blijven voortbestaan in zijn bedoelde context en functie. Een voorbeeld hiervan is de geheel door Le Corbusier ontworpen stad Chandigarh in India, met een volledig door hem opgestelde regelgeving die niet bleek te werken binnen de Indiase cultuur.

Eigen waarheid
Na de bovenstaande drie argumenten, kunnen vraagtekens geplaatst worden bij het feit dat een architect te werk zou blijven gaan vanuit een “one-size-fits-all” benadering. Maar hoezeer kun je iemand met goede bedoelingen het kwalijk nemen dat deze persoon vanuit zijn eigen waarheid handelt in een vreemde cultuur. Net zo goed als het in belang stellen van de waarheid van anderen, geldt ook nog altijd de eigen waarheid. Bovendien is in minder ontwikkelde landen huisvestiging een enorm probleem waar de architect, vanuit moreel oogpunt, een belangrijke rol in kan spelen. Wie kan beter dan de architect een bijdrage leveren aan het mensenrecht op onderdak? Het is een relatief nieuw fenomeen, en zeker op de huidige schaal, dat de architect te werk gaat aan de andere kant van de wereld, zowel vanwege zijn eigen mogelijkheden als de vraag ernaar. Daarbij komt dat het grootste deel van de architecten er niet in geschoold is om in andere culturen te werk te gaan. In de generatie anno nu, waarin reizen over de wereld vanzelfsprekender is geworden, kan en zal de lokale context niet meer buiten beschouwing worden gelaten en wordt context specifiek handelen een “must”.

Conclusie
Het westen heeft in het verleden aanzienlijke voetafdrukken overal ter wereld, in allerlei vreemde culturen, achtergelaten. Waar eerst de koloniën werden gesticht, kwamen de modernisten om zich te bekommeren over de plaatselijke stedenbouw op andere continenten met het geloof in de voordelen van technologie: snellere, slimmere – en vaak goedkopere – producten. Echter, vanuit hun gedachten is nauwelijks rekening gehouden met de culturele context en kende vele projecten een kortstondig bestaan in hun oorspronkelijke functie. Het modernisme had daarentegen een zeer krachtige uitwerking en pas de laatste decennia lijkt meer aandacht voor de culturele context te komen.
Om ten eerste te weten te komen wat precies het probleem is binnen een bepaalde situatie, of om alleen al een andere cultuur bewust te maken van de vraag naar een oplossing (of niet!), zal de architect een pluralistische aanpak moeten handhaven. Daarnaast zal, door betrokkenen van alle sociale niveaus erbij te halen, en door in dialoog te gaan, de kans op acceptatie van de bijdrage van de architect worden vergroot, wat cruciaal is voor het succes van de oplossing. Tenslotte zal de architect misschien naar zijn gevoel moeten inleveren op zijn mate van bijdrage, maar door de betrokkenen (de echte vragers) het woord te geven, heeft een toepassing na de input van de architect (de buitenstaander), meer kans op voortbestaan.
Maar hoe kwalijk is het iemand te nemen die met goede intenties vanuit zijn eigen waarheid in een andere cultuur, schijnbaar niet efficiënt handelt? Immers, het is een relatief nieuw fenomeen dat de architect, op de huidige schaal, zijn werkzaamheden over de grenzen verplaatst. De nieuwe generatie zal, doordat de wereld in zeker opzicht kleiner lijkt geworden, anders handelen waarmee ook de rol van de architect zal veranderen. De architect zal niet meer de individuele schepper zijn, hij zal als mediator optreden, buiten - en uiteindelijk ook binnen - zijn eigen cultuur.

Lutyens - Imperial city

In 1911 houdt koning George V als eerste Britse vorst in India een toespraak dat om de problemen in Bengale op te lossen de verblijfplaats van de regering van Calcutta naar Delhi zou worden verhuist. Dit betekende dat Delhi de nieuwe hoofdstad zou worden. Het landschap in Delhi was bezaait met resten van andere keizerlijke steden, hier zou de nieuwe hoofdstad komen. De Britten wilde respect tonen voor de Indiase geschiedenis en cultuur, wat paste bij het nieuwe India. Drie specialisten werden gevraagd om een studie te doen naar de mogelijkheden voor een nieuwe hoofdstad. Lutyens, stadsarchitect van Liverpool, was de meest favoriete van allen omdat hij veel lobbyde bij machthebbers in de hoop de krijgen wat hij altijd al wilde. Lutyens bestudeerde de bestaande bouwcultuur goed en hij vond dat deze vooral onzin was. Dit had ermee te maken dat India geen goed geschoolde architecten kende en daarom bestond er vooral ingenieursarchitectuur. Hij vergeleek deze architectuur met ‘de fratsen van de jeugd’.


De typische architectuur in Shimla, India, met tinnen daken. Lutyens vergelijkt deze architectuur met de fratsen van de jeugd, het is onzin.

De koning vroeg om architectuur waar westerse en oosterse kernmerken met elkaar vermengt waren, maar Lutyens vond dat niets. Hij kraakte zowat alles wat in India was gebouwd af, tot de Tasj Mahal aan toe. Samen met Baker, zocht Lutyens lang naar een geschikte bouwlocatie en ze vonden er een. Deze paats was al deels bebouwd met ordelijke architectuur met fonteinen voor plaatselijke verkoeling, en Lutyens vond dat daar intelligentie vanaf straalde, ‘’haast Europeaans’’. Lutyens vond dat je in India moet bouwen zoals je, je daar kleed: als een gentleman met af en toe een aanpassing voor het klimaat. Lutyens was schijnbaar een man met veel charme en overtuigingskracht, want hoe zeer de onderkoning hem erop wees dat hij meer Indiase stijlkenmerken in zijn ontwerp moest verwerken, Lutyens eigen plan bleef instant.
Baker en Lutyens hadden een groot vermogen om samen te werken en de eerste stad geheel ontworpen en gebouwd door Britten in India werd werkelijkheid. Baker stelde dat de beste elementen van oost en west zijn gecombineerd en Lutyens betreurde het gemak waarmee Baker toegaf aan deze stijlvermenging. Uiteindelijk zou ook Lutyens de eisen licht tegemoet komen en er ontstond een unieke stijl voor zijn gebouwen die gekenmerkt wordt door klassieke symmetrien, een Europeaans ritme van zuilen die het felle tropische licht braken, met daarachter typische Indiase ramen en her en der enkele oosterse details. Ook het gebruik van water en fonteinen zoals eerder was toegepast door de Mocals werd toegepast voor verkoelde lucht rond het paleis. Lutyens streefde naar een abstractie zuiverheid met zorgvuldige proporties en dat is overal terug te zien: van de tuin tot aan de wasbak voor bediende, en van het bed voor de vrouw van de koning tot aan de koepel die de macht en het recht van het rijk symboliseert. Lutyens droom om een nieuwe traditie in de Indiase architectuur te introduceren werd werkelijkheid.


De Dag van de Republiek, meestal gehouden op 16 januari op de centrale laan van Lutyens Delhi (bron: Indian Summer: Lutyens, Baker and Imperial Delhi)

De keizerlijke stad Delhi was geboren en vanuit Engeland kwam veel kritiek op het machtsvertoon van Lutyens. Terwijl Lutyens het de laatste zege van de Renaissance architectuur noemde, vonden de functionalisten het geheel een anachronisme. Lutyens had tegelijkertijd kritiek op het modernisme omdat dat volgens hem zelden ‘’vibraties van geluk of genialiteit in de geest van de kijker veroorzaakt.’’ Modernisme was tenslotte niet anders dan ‘’fabricage en hijskraan’’.

Wat mij opvalt van een bepaald deel van het werk dat we in deze cursus hebben behandeld, is dat architectuur op twee manieren te maken heeft met macht. Aan de ene kant wordt architectuur ingezet voor machtsvertoon vanuit de opdrachtgever, en aan de andere kant wil de architect maar al te graag zijn glorie vieren door het werk te realiseren. Je kunt je afvragen hoe gek Albert Speer was met zijn grootheidswaan. Maar wat is, naast de persoon van zijn opdrachtgever, er anders aan dan het werk van Lutyens in Delhi of dat van Le Corbusier in Chandigarh? Wat maakte het voor deze architecten, en ik denk dat dit in bepaalde gevallen vandaag de dag nog altijd geldt, zo belangrijk om hun grootste dromen te realiseren. Het kan toch niet alleen macht zijn?

zaterdag 14 januari 2012

Moderne architectuur in Afrika, deel III: Afrikaans comfort

‘’De moderne Afrikaanse maatschappij was volgens de modernisten gediend met een architectuur waaraan programmatische en economische eisen ten grondslag lagen die uit Europa werden gekopieerd. De traditionele Afrikaanse bouwcultuur was voor de modernisten niet relevant, net zo min als traditionele Afrikaanse oplossingen te optimalisering van het comfort.’’

Het Afrikaanse continent kent grote klimaatverschillen: de Sahara kent een lage vochtigheid en weinig regenval, gekoppeld in grote schommelingen in temperatuur tussen dag en nacht, de Savanne heeft droge en natte periodes met fluctuaties in temperatuur door het jaar heen, en het equatoriale woud is het altijd warm en vochtig en de verschillen tussen dag en nacht en de seizoenen zijn gering. De Sahara kent voornamelijk twee traditionele bouwtypes, de Savanne kent een grote architectonische verscheidenheid, en in het regenwoud kent voornamelijk een bouwtype. Alle traditionele gebouwtypes zijn precies toegesneden op de lokale klimaatcondities waardoor niet echt te spreken is over een typische Afrikaanse architectuur. Toch bestaat er een bepaalde woontypologie die op veel plaatsen terug komt: de cour met de cases. De cour is het binnen terrein, met daaromheen de los van elkaar geplaatste cases die allemaal tot een bepaald persoon toebehoren.
De vroeg koloniale gebouwen combineerde westerse import met lokale gegevenheden. Tot de WO-II bleef de architectuur in Afrika vooral beperkt tot deze ingenieursbouw. Pas de modernistisch geschoolde generatie uit het westen zou de moderne architectuur op grote schaal in Afrika gaan toepassen wat een homogene architectuur, geïnspireerd op Le Corbusier, over het continent tot gevolg had. Deze gebouwen werden universeel toegepast en waren daarom niet toegesneden op lokale omstandigheden.
Later kwamen er voorstanders van een architectuur die zich aanpast aan het lokale klimaat zonder mondiaal geldende principes uit het oog te verliezen die zich juist tegen de lokale culturele continuïteit afkeerde. Kolonel Dobie liet een huis bouwen op het schiereiland Masaki tegen de kust van Dar es Salaam. Hij wilde met zijn huis het goede voorbeeld geven en liet daarom een autarkisch huis bouwen. Het huis werd afgestemd op de lokaal geldende klimaatprincipes waardoor airco’s overbodig waren. Ook werden lokale flora behouden in de tuin van de woning. Ventilatie, verwarming, koeling, watervoorziening en verlichting, in alles was het huis zelfvoorzienend.


Turiani ziekenhuis

Het Turiani-ziekenhuis is een voorbeeld van architectuur waar traditionele elementen opnieuw worden toegepast om in Afrikaans comfort te voorzien. Naast duurzaamheid in het oog te houden, werd hier ook de culturele context in beschouwing genomen, wat van belang is gebleken voor de acceptatie van het gebouw binnen de lokale cultuur. Het bleek onmogelijk om met de gangbare technologische oplossingen het ziekenhuis te voorzien van infrastructuur, watervoorziening en energie. Daarom werden nieuwe, naar de lokale gegevenheden aangepaste voorzieningen geplaatst die op zichzelf goed bleken te werken. Achteraf, toen het ziekenhuis volledig werd gerund door lokale artsen en andere werknemers, bleken de voorzieningen al lang te zijn vervangen door traditionele voorzieningen. Het gebouw was door de lokale bevolking geaccepteerd en het ziekenhuis bleek nog altijd succesvol, maar de infrastructuur paste blijkbaar niet binnen de culturele context waardoor de bevolking heeft teruggegrepen op traditionele voorzieningen.
De schrijver concludeert dat de klimaattechnische context erg belangrijk is voor het optimaliseren van het comfort. Elke nieuwe ontwerp vraagt om een studie en aanpassing van bestaande modellen. Vooral in de tropen licht hier een grote uitdaging omdat de modernisten zich nooit op dat gebied hebben geconcentreerd. Afrikanen leven tussen moderniteit en traditie, en gebleken is dat niet mag worden verwacht dat vanaf buiten af opgelegde veranderingen worden geaccepteerd. Ook is gebleken dat het negeren van de culturele context leidt tot falen. Dit is niet alleen zo in Afrika, maar overal ter wereld. Zelfs in Nederland worden soms gebouwen na een aantal jaar al gesloopt omdat deze cultureel niet geaccepteerd worden, ze zijn bijvoorbeeld gewoonweg ‘lelijk’. De schrijver stelt voor om aan de triade van Vitruvius – Fermitas, Utilitas en Venustas – en de vierde pijler Restituitas (duurzaamheid), ook de natuurlijke culturele context toe te voegen.

Architectural responses in tropical India – Rahul Mehrotra

In de twintigste eeuw hebben het New Delhi van Lutyens en het Chandigarh van Le Corbusier en de resultaten voor architectuur die daaruit volgden, het architectonische landschap in India gedomineerd. Le Corbusier heeft na zijn acties in India een architectonisch bewustzijn laten ontstaan dat zich vooral concentreerde in de zone van Chandigarh via Delhi en Ahmedabad naar Bombay. Deze regio wordt gekenmerkt door droogte en warmte, maar India is groot en het tweede deel van India heeft een tropisch klimaat. De moderne architectuur gemeenschap heeft nooit aandacht besteed aan dit tropische deel van India. De heruitvindingen van Le Corbusier voor een architectonische vocabulaire leende zich makkelijk voor het droge, warme klimaat, maar de tropen hebben nooit zulke geschikte, krachtige oplossingen gekregen, er heeft zelfs nooit een debat over plaatsgevonden.


Lutyens Imperial City en Le Corbusier's Chandigarh

Reacties in India
Naast dat er enorm veel klimaatverschillen in India zijn in combinatie met het reliëf en elk gebied om een eigen architectonische oplossing vraagt, lijkt onafhankelijk India altijd geobsedeerd te zijn geweest door het beeld van een pan-India identiteit. Ondanks dat de modernistische architectuur die niet geschikt is voor de tropen heeft gedomineerd, zijn er toch goede voorbeelden voor de tropen. Deze voorbeelden kenmerken zich vooral door het bewust omgaan met het klimaat. Zo wordt in de meeste voorbeelden slim gebruik gemaakt van frisse lucht door de gebouwen laten stromen. Een kritiek op de modernistische architectuur is vooral het wegwerken van allerlei traditionele elementen die India rijk is. En deze elementen zijn niet voor niets uitgevonden: ze maakten de functie van de gebouwen meer efficiënt voor het klimaat en de levensstijl van de inwoners. Een sterk element is bijvoorbeeld de veranda. In de tekst wordt verder ingegaan op bestaande gebouwen die traditie en moderniteit combineren.


Rahul Mehrotra, Goa India

Tropische stad
De veranda bestaat in India ook op stedelijk niveau in de vorm van een arcade. Deze arcade maakt het mogelijk om beschut van de zon of de hevige regenval door de stad te lopen, terwijl er ook een frisse wind door heen kan waaien. Tegelijkertijd maakt de veranda juist de Indiase cultuur – die vooral gebaseerd is op micro-economische systemen – mogelijk. Met de komst van het modernisme zijn de veranda’s en ook andere ideale elementen voor een Indiase stad grotendeels verdwenen. Daarvoor in de plaats zijn hoogbouw en op airco gedreven shopping malls ontstaan. De schrijver – een Indiaas architect – stelt mogelijkheden voor om de traditionele elementen op een hernieuwde manier in architectuur en stedenbouw toe te passen. Hij stelt dat hiertoe een nieuwe vocabulaire ontwikkeld zal moeten worden die verder gaat dan gebouw en stad beschouwd als beide individuele elementen.

Modernisme in India
Sinds het onafhankelijk worden van India kent de ‘’Moderne stijl’’ een ongekende populariteit in India. Modernisme werd gezien als een soort natuurlijke manier om uiting te geven aan een nieuw nationalisme. Historische of culturele beperkingen kende deze beweging niet en moest vooral de ‘’dynamiek van vrije mensen in een mars naar economische vooruitgang en internationale ontwerp ideeën’’ weerspiegelen. Hiermee werden regionale verschillend geneutraliseerd en werden nog slecht populaire materialen gebruikt.

Door de neutralisatie van lokale verschillen heeft het modernisme in India nooit een geschikte oplossing kunnen vinden voor het tropische deel van India. De schrijver laat aan de hand van een aantal voorbeelden zien dat het wel degelijk anders kan. Hij stelt een architectuur voor met een hernieuwde vocabulaire om, om te gaan met het tropische klimaat. Deze architectuur is in zijn geheel geschikt voor klimatologische en topografische omstandigheden. De architectuur regelt de kwaliteit van het interne klimaat door gebruik te maken van traditionele elementen als veranda’s, arcades, lamellen en brise-soleils. Ook is de ruimtelijke indeling van een gebouw verantwoordelijk voor de toevoer van frisse lucht en het wel of niet toelaten van zonlicht.

Modernisme verzoenen met Indiase cultuur

Het laatste college van culturalisme gaat over de Indiase architect Doshi die na zijn studie in Mumbai, vier jaar voor Le Corubier in Parijs werkte. Doshi heeft mee ontworpen aan het project van Le Corbusier in Ahmedabad. Hij leerde van het modernisme en met de tijd heeft hij deze ideeën gemodificeerd met zijn ideeen over de Indiase manier van leven en de Indiase mensen. In 1955 richt hij zijn eigen bureau op en werkt nauw samen met onder andere Louis Kahn. In 1962 start Doshi the School of Architecture in Ahmedabad.


Balkrishna Doshi

Tijdens het college hebben we een video gezien waarin Doshi geïnterviewd wordt en waar hij praat als mens en als architect. Om en om praat hij over zichzelf en zijn ervaringen als mens, en dan weer als architect. Het is prachtig om te zien hoe de man spreekt en waarover hij nadenkt. Zo zie je in de video hoe hij sommige moderne gebouwen in India vergelijkt met oud Indiase tempels. Ook heeft Doshi verschillende uitspraken als: ‘’Architectuur is voor mij een zoektocht, het begint ergens en het eindigt ergens. Daarmee groei ik en groeit de wereld, we groeien samen.’’, of: ‘’het is nooit 1, het is altijd 1+, er is altijd nog iets anders. Indiase plannen zijn nooit centrisch, het is nooit convergerend.’’ Volgens hem is elk gebouw een tempel voor God. Ook geeft hij aan geen formele gebouwen te willen maken maar gebouwen die moeten kunnen veranderen, door mensen, zoals dat met alles werkt in de wereld. Volgens Doshi vind je het antwoord in India in Chandigarh. Hij geeft hiermee aan dat hij het resultaat niet zo spannend vind als het proces.

Doshi heeft samengewerkt met Le Corbusier en met Louis Kahn. Hij vertelt hierover in relatie tot zijn eigen werk: ‘’…articulatie, beton en baksteen, is Le Corbusier, structuurhelderheid en attitude is Kahn, het is een huwelijk tussen hen.’’ Doshi zegt dat toen hij bij L.C. werkte hij probeerde te tekenen als L.C. en toen hij bij L.K. werkte hij probeerde te tekenen als L.K.


Aranya Community Housing project door Doshi

Een interessant project van Doshi vindt ik persoonlijk het Aranya Community Housing project, een ‘low cost housing’ project in India. Het project omvat een populatie van 60.000 inwoners en, er is nagedacht op het niveau van stedenbouw tot aan diensten en onderhoud, tot aan de afbetaling van een woning. Het plan is opgebouwd uit zes districten met ieder een populatie van ongeveer 10.000 inwoners. Steeds vormen tien huizen met een achtertuin een cluster, en per twintig huizen is voorzien in nuts. Het hele project wordt bewoond door mensen uit verschillende inkomensgroepen. De huizen zijn op veel mogelijke manier in te richten en uit te breiden. De meeste mensen kiezen ervoor om een leeg kavel te kopen maar voor de armste is een betonnen basis met een kern en een kamer beschikbaar zodat ze in het minimaal nodige worden voorzien. De afbetaling wordt bepaald door het gemiddelde inkomen van een familie. Baksteen, hout en beton zijn lokaal verkrijgbaar maar iedereen is vrij om het materiaal te kiezen dat hij of zij wil. Zo kan iedereen die in Aranya woont zijn woning gradueel laten groeien en ontstaat er een zeer dynamisch bouwproject dat constant onderhevig is aan transformaties.


Schets van Aranya Housing project

Het is prachtig om te zien waar Doshi over praat en hoe anderen over hem denken, zeker op 81 jarige leeftijd. Ik vind het wel iets vreemds hebben dat zo goed te merken valt dat collega’s echt tegen hem opkijken maar ze vinden hem tegelijkertijd ook een heel fijne persoonlijkheid. Vooral de sociale woningbouwprojecten, maar eigenlijk al zijn projecten, geven blijk van een soort humaniteit. Ik ben blij kennis te hebben mogen maken met het werk van Doshi en ben vast beraden meer over hem te weten te komen. Zou het niet prachtig zijn om bij hem stage te lopen?


Doshi School of architecture (1962)

College onafhankelijk India 1947

1947: Brits-India wordt onafhankelijk verklaard, het Indiase Subcontinent wordt verdeeld in India en Pakistan. India had geen hoofdstad meer nadat, de Punjab in een Indiaas en een Pakistaans deel werd opgesplitst, waarmee de voormalige hoofdstad Lahor nu tot Pakistan behoorde. India zocht een nieuwe hoofdstad en besloot uiteindelijk een geheel nieuwe te bouwen: Chandigarh zou het symbool van eenheid en onafhankelijkheid worden voor India.

Een stad bouwen, dan had je architecten nodig. Geschikte architecten die een hoofdstad konden bouwen bleken zeldzaam in India en uiteindelijk werd een Westerse architect met kennis over het bouwen in vreemde culturen benaderd. Albert Mayer, in samenwerking met Matthew Nowicki, was een architect die ervaring had met het bouwen in vreemde culturen en had daar een methodiek voor ontwikkeld door rekening te houden met bijvoorbeeld de topografie, de windrichting, de zonnestand en de wijze waarop Indiërs leven. Ze wisten precies wat de Indiers aanging en wat de kwaliteiten van het land waren en de wijze waarop Indiers werken en leven stond centraal hun uiteindelijke plan: het plan bevatte sectoren om in te wonen, zakencentra en basaars (nog altijd draait het grootste deel van India op een micro-economisch stelsel). Met de ervaring in Afrika wist Mayer precies hoe te bouwen in het warme klimaat.
En dan, plots overlijdt Nowicki door een vleigtuigcrash. Door de omvang van het project werd van de architecten verlangt om regelmatig in India te verblijven. Mayer had ondertussen ook al lang genoeg van de Indiase cultuur met de enorme bureaucratie, hij hield het niet uit en daarom zou Nowicki regelmatig in India verblijven. Maar nu zijn compagnon wegviel hield Mayer geen stand meer en deed in 1950 afstand van het hele plan.


het plan van Mayer, rekening houdend met allerlei lokale gegevenheden.

De Indiase overheid gaat opzoek naar een opvolger van Mayer en komt uit bij Le Corbusier. Een droom kwam uit voor de man: hij had er altijd van gedroomd om een stad te mogen ontwerpen en nu hij 63 jaar was kreeg hij die kans! Le Corbusier werd wel gevraagd om het plan van Mayer, dat goed was, verder uit te werken maar, dat kon hij niet over zijn hart verkrijgen. Binnen vier dagen had L.C. een nieuw plan op tafel en dat zou worden uitgewerkt, want hij was immer dé grote architect. In tegen stelling tot het eerder plan, zou dit plan veel rationeler worden. Functies worden – volgens modernistische traditie – gescheiden, en grote open ruimtes worden gemaakt maar, wat achteraf onmogelijk blijkt in India want open ruimtes worden direct volgebouwd. Uiteindelijk staat er een meesterwerk van modernistische architectuur in India, toch was L.C. het een en ander vergeten. Zo was hij vergeten dat het in India of extreem warm (45 graden), of extreem nat kan zijn. Door zelf te gaan experimenteren was L.C. wel tot bepaalde ingenieuze oplossingen gekomen maar, hij vertikte het om traditionele bouwmethoden of materialen toe te passen. Door het gebruik van beton in combinatie met platte daken werd het gebouw een extreem hete oven of het werd nat van binnen. Daarnaast vond L.C. het nodig de rechtszaal – in een land van ambachten – te decoreren met een aantal door hem ontworpen, immens grote wandtapijten. Nu steekt de Indiase cultuur echter zo in elkaar dat je jezelf niet als individu presenteert, met als gevolg dat de rechters zich schaamden als ze in de zaal een zitting voerden.


het rationele plan volgens Le Corbusier

Voor het gebruik van de stad werden door L.C. regels voorgeschreven, het plan zou precies volgens zijn regels geleefd worden. De arbeiders waren vergeten met als gevolg dat zij zelf hutjes gingen bouwen op de bouwplaats. Uiteindelijk werd besloten om achter hoge wanden kampen op te richten waardoor vanuit de stad deze hutjes niet te zien zouden zijn. Het inwoners aantal steeg enorme en telde op een gegeven moment 1 miljoen mensen. Het rationele, gestructureerde plan van L.C. transformeerde in een ongestructureerde, dichtbevolkte metropool.


het uiteindelijke gerealiseerde plan van Le Corbusier

Urban Asymmetrisch New York, door Rik Thijs

Deel 1: Sociaal economisch onderzoek naar New York

Het afstudeeronderzoek gaat terug naar het begin van het ontstaan van Amerika in 1776 en loopt via de opkomst van het neoliberalistisch denken, tot aan de huidige situatie. New York is ontstaan uit de twee aparte steden New Ork en Manhattan die nog in de jaren ’20 van de vorige eeuw de strijd met elkaar aan gingen welke de beste stad zou worden. Na WO-II ontstonden de suburbs als een soort cadeau voor de veteranen die daar rustig zouden kunnen vertoeven. Mensen die zich niet een huis in de suburbs konden permitteren bleven in het stadscentrum wonen die bestond uit de voor New York zeer herkenbare typologie met grote flats (‘projects’). Daarmee ontstond er vooral werkloosheid in New Ork en werd uiteindelijk de ‘black power capital’ terwijl de rijkdom in Manhattan ontstond, een grote klassen scheiding was een feit.



Voor zijn afstudeerproject heeft Rik Thijs zich geconcentreerd op een deelgebied in het noorden van New Ork. Een merkwaardig verschijnsel dat zich daar, en op meer plaatsen in New Ork afspeelt is ‘exclusion expansion’: eerst wordt er voor gezorgd dat een bepaald deel van de stad niets meer waard is en vervolgens worden daar ontwikkelingen uitgevoerd. Zo kunnen de eerst vestigende bedrijven daar bijna gratis vestigen, en wordt er binnen een paar jaar een nieuw commercieel gebied ontwikkeld.
In het betreffende gebied was de gemeente New York op dat moment bezig met een nieuw project. Ze lieten daar sociale woningbouw ontwikkelen in de zin van hele kleine woningen, haast hutjes, die niet meer dan tien jaar meegaan omdat ze op dat moment wegrotten. Na 10 tot 15 jaar is de situatie in dat gebied zo ellendig dat de ‘social housing company’ daar niet meer gaat zitten en dan kan de gemeente daar aan de slag.


Deel 2: ‘the alternative layer’

Het deelgebied waar Rik Thijs zich voor zijn afstuderen op heft geconcentreerd wordt nu ontwikkeld als ‘Enterprise zone’ waar ‘pricecuts’ gelden voor vestigende bedrijven. Het gebied heeft een ontwikkeling gegaan zoals hierboven beschreven: eerst is het gebied in zo een conditie gebracht dat het werkelijk niets meer waard is, en vanaf toen konden bedrijven de woningen opkopen. Nu worden de rijkere omliggende gedeeltes uitgebreid en zo moet dit gebied een commerciële zone worden waar grote bedrijven zich kunnen vestigen. Deze commerciële zone beperkt zich tot een zeer geconcentreerd gedeelte, daaromheen staan alle woningen leeg of zijn kavels volledig afgesloten. Het probleem is dat met het vestigen van deze grote bedrijven, alle inkomsten uit het gebied verdwijnen, alles gaat richting Manhattan, er is dus sprake van ‘economic leakage’. Er ontstaat dus een rare situatie want, waar Rita van Rita’s Restaurant eerst eigen baas was, wordt haar pand wellicht opgekocht door een internationale hamburgermagnaat en mag ze daar voor een minimumloon achter de kassa staan. Rita zal nog steeds om de hoek wonen, maar nu in een andere omgeving dan waarvan ze heeft gedroomd.
Rik Thijs heeft als reactie op deze situatie geprobeerd iets te doen voor de mensen die er wonen. De commerciële zone komt er toch wel, en voor de mensen die er wonen wordt de situatie er niet beter op. Hij bedacht daarom de ‘alternative layer’. Naast het ontwerp moest hij nadenken over het ‘ownership’ dat wil zeggen: hoe voorkom je dat een woning na vijf jaar als nog opgekocht en gesloopt wordt.
Wat betreft het ontwerp heeft Thijs zich laten inspireren door ‘the wall’, het afstudeerproject van Rem Koolhaas: een muur heeft vaak een negatieve betekenis maar hoe kan een muur nu juist iets positiefs worden? In zijn ontwerp heeft Thijs een muur van 10 meter hoog bedacht die als het ware een middelvinger naar de stad is. De muur meandert om de betreffende woningen heen en sluit zo een ‘internal reality’. De muur zegt zoiets als: de stad kan het krijgen met zijn commerciële zone, binnenin stichten wij onze eigen samenleving.